Euthanasie bij psychisch lijden in vraag gesteld

Het levenseinde en meer bepaald het ingrijpen rond levenseinde via euthanasie, blijft een delicaat gegeven. De voorbije maanden ontstond naar aanleiding van verschillende ‘cases’ opnieuw debat over het hoe en waarom van de relevante wetgevingen en procedures. Vooral inzake psychisch lijden is er discussie over de toepassing van de huidige wet. Dit debat is deels terecht, deels ook niet.

December 2015 pleitte een groep van professoren, psychiaters en psychologen ervoor om euthanasie bij psychisch lijden niet meer toe te laten. Zij kantten zich daarin onder meer tegen het idee dat een persoon die psychisch lijdt, ook daadwerkelijk ‘uitbehandeld’ kan zijn. Daarop werd gereageerd door onder meer Johan Braeckman (hoogleraar wijsbegeerte UGent) en An Ravelingien (ethicus Bioethics) die erop wezen dat psychisch lijden even ernstig moet worden genomen als lichamelijk lijden, ook al is het moeilijk om objectieve criteria te bepalen.

Gegeven de maatschappelijke context waarin wachtlijsten voor hulpverlening lang zijn en waarin het aantal mensen dat op een of andere manier psychisch lijdt – waaronder veel jongeren – toeneemt, is de vraag naar de plaats van euthanasie hierin, uiteraard gerechtvaardigd. En ontegenzeglijk is het gebrek aan middelen voor of effectief inzetten van gepaste behandelingen een belangrijk, problematisch deelaspect dat bepaalde patiënten te snel richting een ‘definitieve oplossing’ kan sturen. Voorstanders van de huidige wet wijzen evenwel op de twee bijkomende zorgvuldigheidscriteria inzake de behandeling van euthanasieaanvragen bij uitzichtloos psychisch lijden: de minimumwachttermijn en het advies van een tweede psychiater. Bovendien hebben de betrokkenen als patiënt ook het récht om behandelingen te weigeren – wat voor de omgeving en zelfs voor medisch personeel, hoe begrijpelijk ook, soms moeilijk te accepteren is.

Vanzelfsprekend is het cruciaal dat men inzet op gepaste behandelingen, dat de juiste informatie wordt verschaft, dat het betrokken medisch personeel de noodzakelijke criteria en procedures in acht neemt en bovenal dan men professioneel te werk gaat. Dit gaat op voor het stellen van een diagnose omtrent de (eventuele) aandoening en geldt al zeker voor de eventuele uitvoering van een goedgekeurde aanvraag tot euthanasie. Dit kan onder andere door sterkere inzet op bijscholingen – zoals via de LEIF-opleiding – en het voorzien in voldoende overleg tussen betrokken instanties, zeker bij de moeilijkste ‘cases’ (die nu doorgaans bij het gespecialiseerde UL-team terecht komen).

Een evaluatie van de toepassing van de wet in de praktijk, zo menen nu verschillende experts, is inderdaad altijd zinvol. Maar in het debat getuigen sommigen eerder van een gebrek aan erkenning van de individuele zelfbeschikking van mensen in een situatie van aanhoudend, ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. Zij worden dan eigenlijk niet au serieux genomen. Een aanzienlijk langere bedenktijd (‘wachttijd’) tot zelfs een jaar zal in veel gevallen enkel een (onnodig) verlengen van het lijden teweegbrengen, gezien de meeste euthanasieaanvragen mentale aandoeningen, soms in combinatie met langdurige, chronische en therapieresistente depressie, betreffen. Dit illustreert hoe het doorgaans om een welbepaalde groep patiënten gaat, voor wie een medisch geassisteerd en pijnloos overlijden – hoe graag we het als buitenstaanders ook anders zouden willen zien – de beste keuze kan zijn. Een keuze die er denkbaar hopeloze medemensen van weerhoudt om over te gaan tot – een in wezen altijd onmenselijkere en eenzame – zelfdoding.

Bronnen: De Standaard, De Morgen, HVV-website

despair-513530_1280

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>