Standpunt HVV: Nood aan uitbreiding euthanasiewet

Wie de kranten openslaat, kan er niet naast kijken: het euthanasiedebat woedt in volle hevigheid. In februari reeds maakte dokter Marc Cosyns bekend dat hij iemand die leed aan dementie hielp sterven. En onlangs nog werd verpleegster Els Op de Weerdt in een ophefmakend assisenproces vrijgesproken van moord op haar tante. Twee zaken die symptomatisch zijn voor de totnogtoe onopgeloste hiaten in de euthanasiewet van 28 mei 2002. Politieke onhaalbaarheid verhinderde toen een wettelijke regeling rond euthanasie bij minderjarigen en dementerenden, hulp bij zelfdoding, de onbeperkte wilsbeschikking en de doorverwijsplicht. De gemoederen zijn verhit, maar volgens een oud adagium moet men het ijzer smeden als het heet is. Hopelijk kan nu wat toen nog onhaalbaar was: een wettelijke regeling die de menselijke waardigheid en autonomie van élke patiënt centraal stelt.

De Humanistisch-vrijzinnige Vereniging verwerpt de tegenstelling die sommigen pogen te creëren tussen euthanasie en palliatieve zorgen, als zou het hier gaan om een of/of- verhaal. Verdeel en heers: een beproefde techniek, maar in dit geval irrationeel en dehumaniserend. Want de therapeutische hardnekkigheid die van deze valse tweedeling het gevolg is, heeft in niets meer te maken met palliatieve zorgen. Levensverlenging: ja, maar niet als daarvoor de prijs van het verlengde lijden moet worden betaald. Euthanasie en palliatieve zorgen zijn complementair. Beide zijn antwoorden op dezelfde diepmenselijke vraag naar de humanisering van het levenseinde. Het stervensproces is een integraal deel van het leven, en het verlangen naar een waardige dood dus een levens-noodzakelijke bekommernis. Laten we vooral de oorspronkelijke betekenis van ‘euthanasie’ niet uit het oog verliezen: ‘een goede dood’. Hoe deze concreet wordt ingevuld, volgt uit de autonome beslissing van elke mens. Die kan opteren voor palliatieve zorgen zonder euthanasie, palliatieve zorgen met op het einde euthanasie, of zelfs direct voor euthanasie. Want de zorg, het sterven en de dood vormen één continuüm. In die zin is ook euthanasie een vorm van stervensbegeleiding.

Uit een onderzoek van de vzw Recht op waardig sterven blijkt dat 86 procent van de Vlamingen vindt dat ongeneeslijk zieke minderjarigen zelf euthanasie mogen aanvragen. Ook het Kinderrechtencommissariaat stelde in een advies van 20 maart 2002 dat minderjarigen in een situatie kunnen komen waarin een vraag tot euthanasie kan gerechtvaardigd zijn. Op ondraaglijk lijden staat geen leeftijd. Bovendien tonen wetenschappelijke studies aan dat minderjarigen, vaak al op zeer jonge leeftijd, begrip hebben van hun medische toestand. Door hun ondraaglijk lijden ontwikkelen ze een grote mate van maturiteit, waardoor niet de objectieve, maar de mentale leeftijd belangrijk wordt. Wat nu uiteindelijk het criterium wordt – de capaciteit tot ‘redelijke waardering van zijn belangen’ van de VLD of het begrip ‘oordeelsvermogen’ van de sp.a -, is voer voor overleg en onderzoek. We beseffen dat euthanasie bij minderjarigen een bijzonder delicate discussie is. Maar, precies daarom, steunen we alle parlementaire initiatieven in die richting. Want men kan het debat niet blijvend ontlopen.

Ook de problematiek van euthanasie bij dementerenden moet worden opgelost. De huidige euthanasiewet introduceerde de wilsverklaring. Via die wilsverklaring kan iemand ‘bewust’ aangeven euthanasie te willen op het moment dat hij zelf zijn wil niet meer kan uiten en lijdt aan een ernstige, ongeneeslijke aandoening. Maar omdat de wet verder stipuleert dat de patiënt “niet meer bij bewustzijn” mag zijn, valt daar in de praktijk enkel de onomkeerbare coma onder. Geen euthanasie dus voor patiënten die door ziekte of ongeval wel wilsonbekwaam zijn geworden, maar niet comateus zijn. Een uitbreiding van de wet naar dementerenden en patiënten met een ernstige en blijvende hersenaandoening is dus noodzakelijk. Fundamenteel uitgangspunt is het zelfbeschikkingsrecht. De keuze van wie – om welke reden dan ook – beslist dat het in dementie voortleven zijn waardigheid al te zeer zou aantasten, dient te worden gerespecteerd.

Tegenstanders van een uitbreiding schermen met het zogeheten ‘argument van de discontinuïteit in de persoonlijkheid’. Een wilsbeschikking zou niet langer geldig zijn op het moment dat men daadwerkelijk dement is, omdat men dan een andere persoon zou zijn. En ze hebben gelijk: een dementerende wordt, langzaam maar zeker, een andere persoon. Alleen trekken ze de verkeerde conclusie. Want uitgaande van het zelfbeschikkingsrecht is maar één conclusie mogelijk: dat iemand mag beslissen dat hij niet als een andere persoon door het leven wenst te gaan.

Ook met de termijn van de wilsverklaring is er nog een probleem. Momenteel moet elke wilsverklaring immers om de vijf jaar worden vernieuwd. Dit betekent dat als iemand net buiten die termijn van vijf jaar buiten bewustzijn valt, hij de facto geen geldige wilsverklaring heeft. De eenvoudige oplossing: een onbeperkte, blijvend geldende wilsverklaring.

Nóg eenvoudig op te lossen, is het in de wet voorzien van hulp bij zelfdoding. Ook de Orde van de Geneesheren is hier voorstander van. Zelfdoding op zich is niet strafbaar, en dus in principe ook niet de hulp die daarbij geboden wordt. Toch bestaat de mogelijkheid dat een arts zou worden vervolgd wegen ‘schuldig verzuim’. Om dit te vermijden, en om tegemoet te komen aan de patiënten die hun artsen niet willen belasten met een levensbeëindigende handeling, moet hulp bij zelfdoding worden opgenomen in de euthanasiewetgeving.

Tenslotte is er nog het probleem van het ontbreken van een doorverwijsplicht voor de arts. Geen enkele arts is verplicht om in te gaan op een verzoek om euthanasie. Hij kan om ethische redenen weigeren. Toch bepaalt de wet dat hij dat duidelijk en op tijd aan de patiënt moet meedelen. Maar dan. Moet een patiënt die ondraaglijk lijdt zélf op zoek naar een arts die wél op zijn verzoek wil ingaan? Om de continuïteit van het verzoek te waarborgen, pleiten wij voor een in de wet verankerde doorverwijsplicht voor artsen die euthanasie weigeren.

Ons eisenpakket is tweeledig. Om te beginnen eist de Humanistisch-vrijzinnige Vereniging een wettelijke regeling rond euthanasie bij minderjarigen en dementerenden, hulp bij zelfdoding, de onbeperkte wilsbeschikking en de doorverwijsplicht. Maar even noodzakelijk is een substantiële verhoging van de financiële middelen voor de palliatieve zorgen. Want vanuit de zorg gedacht, wat wil zeggen: vanuit de bekommernis om het humane levenseinde, zijn beide complementair. In dit debat moet één hoofddoel centraal staan: het recht op menswaardig sterven –voor iedereen.

(Dit standpunt werd geschreven door Wouter Aers, medewerker van de Educatieve Dienst van HVV. Reageren kan op: www.humanieuws.be.)